© Frederik Beyens

Hoe laat ik mijn collega Nederlands oefenen op het werk?

Het werk is voor een anderstalige de ideale plek om zijn Nederlands te oefenen. Als Nederlandstalige collega kan je daarin een belangrijke rol spelen.

Hoe laat ik mijn collega Nederlands oefenen op het werk?

Het werk is voor een anderstalige de ideale plek om zijn Nederlands te oefenen. Als Nederlandstalige collega kan je daarin een belangrijke rol spelen.
© Frederik Beyens

Spreek in klare taal

Gebruik eenvoudig Nederlands en vermijd dialect, maar overdrijf niet. Zegt iedereen op het werk ‘tournevis’ in plaats van schroevendraaier? Blijf dat dan doen en leer het je anderstalige collega.

Verbeter fouten niet expliciet

Spreek duidelijk af dat fouten maken mag. Maakt je collega een fout? Loop hem niet uitdrukkelijk te verbeteren, maar herhaal de zin of het woord correct, bijvoorbeeld:

Je collega: ‘Ik gisteren de container leeggedaan.’
Jij: ‘Heb je gisteren de container leeggemaakt? Ah, super, was hij helemaal vol?’ 

Bereid gesprekken samen voor 

Gesprekken zijn voor een anderstalige vaak moeilijk omdat ze snel gaan. Bereid ze samen voor, bijvoorbeeld met een kort rollenspel van:

  • een moeilijk telefoongesprek
  • een bespreking met klanten
  • een teamvergadering waarop je collega iets wil bespreken

Neem samen documenten door 

Vaak zijn documenten op het werk nog niet in klare taal geschreven. Bekijk ze samen, bijvoorbeeld: 

  • e-mails
  • een werkbon
  • het verslag van een teamvergadering
  • de coronaregels op het werk 
  • personeelsadministratie, zeker als die digitaal is

Leg niet alles zelf uit, maar stel zoveel mogelijk vragen zoals:

  • 'Wat moet je hier invullen?'
  • 'Wat moet je nu volgens jou doen?'
  • 'Stel dat je volgende week vakantie wil, hoe vraag je dat dan aan?'
  • 'Hoe zou je onze diensten tijdens corona aan een klant uitleggen?' 

Ga er niet van uit dat je collega het na 1 keer zelf kan. Blijf ondersteunen en motiveren, bijvoorbeeld ‘dat gaat al veel beter dan vorige keer’.

Leid het gesprek, maar laat je collega zoveel mogelijk praten

Veel anderstaligen vinden het moeilijk om zelf een gesprek te leiden of te structureren. Stel zoveel mogelijk vragen en hou het gesprek aan de gang. Toon daarbij ook interesse voor de leefwereld van je collega, zeker bij alledaagse gesprekken.  

  • Stel eenvoudige en concrete vragen. Gebruik woorden als 'wie', 'wat', 'waar', 'hoeveel', 'hoe vaak'. Spreekt je collega nog niet veel Nederlands? Gebruik dan ja/nee-vragen of geef keuzes: ‘Was jij gisteren ziek of had je vakantie?’ 
  • Let op met open vragen waarop je een lang, complex antwoord verwacht, bijvoorbeeld in een gesprek over hobby's:
    • Zeg niet: Hoe werkt cricket precies?
    • Zeg wel: Hoeveel teams heb je? Hoeveel spelers zitten er in elk team? Wat moet je doen met de bal? En daarna? 

Benoem wat je ziet en doet

Demonstreer zoveel mogelijk en benoem wat je ziet en doet. Reik niet te veel nieuwe woorden per keer aan en herhaal ze regelmatig. 10 nieuwe woorden per dag is al veel. Voert je collega even alleen een taak uit? Vraag hem dan wat hij al gedaan heeft en wat hij daarna gaat doen.

Bekijk ook