© Frederik Beyens

Hoe laat ik mijn anderstalige gesprekspartner zoveel mogelijk spreken?

Het doel van een oefensessie Nederlands is om de ander zoveel mogelijk te laten spreken. Zeker bij beginners met een beperkte woordenschat is dat niet eenvoudig. Een paar tips.

Hoe laat ik mijn anderstalige gesprekspartner zoveel mogelijk spreken?

Het doel van een oefensessie Nederlands is om de ander zoveel mogelijk te laten spreken. Zeker bij beginners met een beperkte woordenschat is dat niet eenvoudig. Een paar tips.
© Frederik Beyens

Vlot het gesprek niet? Geef een voorbeeld

Bijvoorbeeld:

'Waar woon je?'
'...?'
'Ik woon in Berchem, en jij?'
'In Berchem.'
'Ah? Jij woont ook in Berchem. Dat is leuk. In welke straat woon jij?'

Geef genoeg tijd om te antwoorden

De anderstalige heeft tijd nodig om woorden in zijn hoofd te vertalen. Bij telefoneren is dit extra belangrijk omdat je de andere niet ziet.

Spreek over thema’s van een vorig gesprek

Zo sluit je aan bij de interesse van je gesprekspartner. Noteer bij elk gesprek kort enkele thema’s als geheugensteuntje.

Bijvoorbeeld:

Vorige keer vertelde jouw buddy dat ze niet goed slaapt omdat de hond van de buren altijd blaft. Vraag de week nadien: 'Maakt de hond van de buren nog altijd veel lawaai?'

Laat je eigen gespreksonderwerp los

Vaak heb je een gespreksonderwerp in je hoofd, maar gaat het gesprek een andere richting uit omdat je gesprekspartner een zijsprong maakt. Dat is helemaal niet erg. Ga mee in het nieuwe thema. Waarover je praat is niet belangrijk, als er maar gepraat wordt.

Bijvoorbeeld:

'Maakt de hond van de buren nog altijd veel lawaai?'
'Gisteren veel hoofdpijn, druk.'
'Door de hond of door iets anders?'
'Stress.'
'Oei. Vertel, wat is er gebeurd?...'

Vraag door en verander niet te snel van onderwerp

Ga steeds verder op de antwoorden die je krijgt en stel hierover extra vragen. Door veel nieuwe thema’s te starten ben je snel uitgepraat.

Bijvoorbeeld:

Je buddy vraagt: 'Heb jij een hond?'
'Nee, jij wel?'
'Nee, ik ook niet.'
'Zou je een hond willen?'
'Ik weet niet. In mijn land hebben mensen geen dieren in de huizen.'
'Dus de dieren wonen buiten. Zijn dat honden of andere dieren?'
'Nee, koe, schaap.'
'Had jij zelf koeien en schapen?...'

Is een open vraag te moeilijk? Geef opties

Bijvoorbeeld: Jullie praten over pannenkoeken eten.

'Wat eet jij graag op een pannenkoek?'
'...?'
'Eet jij een pannenkoek met suiker? Of met confituur?'
'Ah! Nee, siroop.'

Fouten maken mag

Stel je buddy gerust. Geef aan dat Nederlands moeilijk is en dat fouten maken normaal is. Het belangrijkste is dat jullie fijn babbelen. Het hoeft niet helemaal correct te zijn. Je bent geen lesgever.

Corrigeer niet te expliciet

Herhaal de zin in correcte vorm, bijvoorbeeld:

'Ik heb 3 kind.'
'Ah, je hebt 3 kinderen. Meisjes of jongens?'

Sommige buddy’s pikken de correctie op en herhalen het correct. Anderen niet, dat is niet erg. Expliciet corrigeren schrikt vaak af. Tenzij je buddy er zelf heel duidelijk om vraagt.

Bekijk ook